Ľ GEOLOGIESCHE BEGRIPPENLIJST

Wat is dit?

- A -
aardkorst
Het bovenste deel van de aarde, dat uit vast gesteente bestaat.

adsorptiecomplex
De benaming van klei en humus die de eigenschap hebben water en voedingsstoffen vast te houden en weer af te geven aan de plantenwortels.

afzettingen van calais
Ook wel "oude blauwe zeeklei". Voornamelijk kleiige afzettingen uit het Atlanticum toen tijdens de na-pleistocene transgressie in het Westen en Noorden van ons land een waddengebied ontstond.

afzettingen van Duinkerke
Ook wel "jonge zeeklei" genoemd. Afzetting van klei tijdens het Subatlanticum toen door een verdergaande zeespiegelstijging grote delen van het Hollandveen werden weggeslagen.

anticlinaal
Een plooitop in een geplooid sedimentsgesteente.

artesische bron
Een bron waarvan het water boven de grondwaterspiegel uitstijgt.

atol
Een cirkelvormig rif dat een lagune omsluit.

- B -
barchaan
Een sikkelvormig duin waarvan de beide flanken zich sneller windafwaarts verplaatsen dan het centrum.

barriŤrerif
Een door dieper water of een lagune van de kust gescheiden rif.

basalt
Stollingsgesteente dat samenhagt met stijgende convectiestromingen. Basalt komt altijd voor bij mid-oceanische ruggen.

basisveen
Ook wel "veen op grotere diepte" genoemd. De veenafzetting die tijdens het Boreaal ontstond, toen de zeespiegel onze huidige kustlijn bereikte na afloop van de laatste ijstijd. Het basisveen is later bedekt door de afzettingen van Calais, waarbij het meeste veen is weggeslagen.

benioffzone
Het vlak waarlangs de bovenste mantel van de oceaan schuin naar beneden duikt onder een hoek van 30 tot 60 graden. Daarbij wordt de dunne oceanische korst meegevoerd. In deze zone treden aardbevingen op.

bergstorting
Een beweging waarbij een groot deel van een dalwand losraakt en in het dal terecht komt.

bezinken
Het proces waarbij een sediment door een te geringe stroomsnelheid naar de bodem zakt.

bodem
Het bovenste deel van de aardkorst waarin horizonten (lagen) ontstaan en waarin het bodemleven zich grotendeels bevindt.

bodemclassificatie
Een ordening van bodems op basis van een bepaald principe, bijv. waarneembare kenmerken van de bodems, of op het ontstaan van de bodems.

bodemerosie
De afvoer van bodemdeeltjes van een stukje onbeschermd aardoppervlak, bijv. een akker.

bodemprofiel
De -meestal- gelaagde doorsnede van de bovenste 1 a 2 meter van de aardkorst.

bodemstructuur
De onderlinge rangschikking en samenhang van de vaste bodemdeeltjes.

bodemtextuur
De korrelgrootteverdeling van de vaste bodemdeeltjes.

bodemtype
Een bepaalde gelaagdheid in het bovenste deel van de grond die kenmerkend is voor het desbetreffende bodemtype.

bovenloop
Het bovendeel van een rivier nabij de bron.

branding
De plaats voor de kust waar de zee ondiep wordt en waar de golven steiler worden en vervolgens overslaan.

brandingsrug
Een door de branding opgeworpen zandrug.

breuk
Een langgerekt vlak waarlangs twee aardkorstdelen langs elkaar bewegen.

brikgrond
Een bodem waarin klei uit de toplaag (de A-horizont) is uitgespoeld en daaronder weer ingespoeld (in de B-horizont).

broeikaseffect
De verandering in de atmosfeer waarbij door een toename van m.n. CO2 kortgolvige straling wel binnen kan komen, maar langgolvige straling moeilijker de dampkring kan verlaten. Daardoor strijgt de temperatuur van de atmosfeer.

bron
Een plaats waar water op natuurlijke wijze naar buiten stroomt.

- C -
capillaire werking
Het verschijnsel waarbij water in een fijn sediment in de porien omhoog wordt getrokken. De stijgingshoogte wordt vooral bepaald door de korrelgrootteverdeling van het sediment: hoog bij een fijn sediment als klei; minder hog bij een grover sediment als zand.

capillaire zone
Een smalle zone boven de grondwaterspiegel waarin zich door capillaire werking water bevindt. De hoogte van de zone wordt bepaald door de omvang van de poriŽn: in fijnere materialen zal het water hoger optrekken.

centrale slenk
Een brede scheur die bijv. over de kam van mid-oceanische ruggen loopt en die is ontstaan door rekspanningen.

chemische verwering
Het uiteenvallen van gesteenten onder invloed van water en stoffen en gassen uit de atmosfeer.

circumpacifische gordel
Een gordel langs de randen van de Stille Oceaan waarin de meeste vulkanen liggen en waar aardbevingen voorkomen.

colluvium
Materiaal dat onderaan en helling is samengespoeld. Meestal lŲss.

conglomeraat
Een grofkorrelig sedimentair gesteente dat is ontstaan door verkitting van afgerond grind.

continent
Een stuk van de aardkorst bestaande uit lichter gesteente (graniet en sedimenten vooral).

continentaal plat
Een onderzees plateau aan de rand van een continent dat zwak hellend -meestal minder dan 1 graad- in de richting van de oceaan loopt.

continentrand
De grens tussen de hoger gelegen continentale korst en de diepzee. Meestal wordt de overgang gevormd door een continentaal plat met een ondiepe zee. De Noordzee is een voorbeeld van zo'n continentaal plat.

convectiestroom
Een zeer langzame circulatie van materiaal die wordt aangedreven door verschillen in dichtheid en temperatuur binnen dit materiaal.

- D -
dal
Een langgerekte laagte tussen twee hellingen, meestal aangelegd door een rivier.

dalgrond
Een kunstmatige bodem, gevormd na afgraving van hoogveen in de veenkoloniŽn. De tijdelijk aan de kant gezette bovenste laag van het veen (bonkaarde) werd door het dekzand gemengd.

debiet
De hoeveelheid water die in een bepaalde tijd langs een bepaald punt langs een rivier stroomt.

dekzand
Een eolische zandafzetting uit de Weichselienstijd, die vrijwel heel Nederland heeft bedekt.

delta
Een afzetting van sediment voor de monding van een rivier. De afzetting kan zo omvangrijk worden dat een heel meer wordt opgevuld.

doline
Een depressie in het landschap ontstaan door oplossing van het onderliggende kalksteen.

donk
Een rivierduin dat geheel is omgeven door (of bedekt met) jongere holocene afzettingen.

droog dal
Een door samenspel van solifluctie en sneeuwsmeltwaterstromen tijdens een ijstijd gevormd dal. De bevroren bodem was ondoorlatend; nu meestal niet meer waardoor het dal geen water meer zal bevatten.

droogdal
Een door samenspel van solifluctie en sneeuwsmeltwaterstromen tijdens een ijstijd gevormd dal. De bevroren bodem was ondoorlatend; nu meestal niet meer waardoor het dal geen water meer zal bevatten.

druipsteen
Afzetting van calciet en andere mineralen door druipend water in grotten.

duinvallei
Primair: een laagte tussen een oude zeereep en een nieuwe zeereep; een oorspronkelijke strandvlakte of vlak. Secundair: laagten die door winderosie zijn uitgeblazen tot het grondwaterniveau.

dustbowl
Een gebied dat door stofstormen sterk is geŽrodeerd. In de dertiger jaren kwamen ze veel voor in het middenwesten van de VS door verdroging van de landbouwgrond.

dwarsduin
Een relatief recht duin waarvan de kam loodrecht op de windrichting staat.


VOLGENDE PAGINA
[ terug... ]Omhoog


.



.

Fale hafez


Tabire khab



Copyright 2002-2017