Ľ EXOGENE PROCESSEN

Wat is dit?

Verwering
= de veranderingen die het gesteente ondergaat door de inwerking van organismen of weerselementen (temperatuur, neerslag).

Fysische verwering

Het gesteente valt uiteen tot gruis zonder dat de mineralogische samenstelling verandert. Deze vorm van verwering wordt beÔnvloed door temperatuur en neerslag en door biologische factoren (vb. wortels). In dit laatste geval spreekt men van biologische verwering.
Voorbeelden :

- bevriezend water in spleten
- verwering door sterke temperatuursschommelingen (exfoliatie = afschilferen van gesteenten)
- zoutverwering

Chemische verwering

Bij chemische verwering verandert de samenstelling van het gesteente wel. Dit kan door oplossing door zuren. Als de zuren afscheiden worden door organismen, spreekt men opnieuw van biologische verwering. Water en de daarin opgeloste stoffen tasten gesteenten aan.

Het betreft vooral aangezuurd water (door CO2 uit de lucht) :
CO2 + H2O -> H2CO3 -> 2 H+ + CO32-

het gevormde koolzuur is alzo in staat in water onoplosbaar kalksteen toch op te lossen:

CaCO3 + H2CO3 -> Ca(HCO3)2 -> Ca2+ + 2HCO3-


Een voorbeeld van chemische verwering zijn oxidatiereacties, die vooral optreden in verband met ijzer (roestvorming en -verkleuring).
Karstverschijnselen


= specifieke reliŽfvormen ontstaan door oplossing in gebieden waar kalksteen aan het aardoppervlak voorkomt. In BelgiŽ is dit het geval in de Kalkzoomstreek

Dolines zijn komvormige holten aan het aardoppervlak


∑ Grotvorming

De verwering van de kalksteen gebeurt door insijpelend regenwater (via spleten of diaklasen). Er ontstaan holtes waarvan de wanden en gewelven instorten. Het instortingspuin wordt opgeruimd door de karstrivieren.



Ondergrondse rivieren

De plaats waar de ondergrondse rivier verdwijnt, noemt men het verdwijngat.
Waar de rivier terug aan de oppervlakte komt, spreekt men van resurgentie



∑ Druipstenen

Stalactieten : hangt
Stalagmiet : onder stalactiet : staat
Als de beide versmelten, ontstaat een zuil

Een druipsteen = neerslag van CaCO3 door verandering van druk, temperatuur, pH, verdamping, wijziging van het CO2-gehalte.

. Als water met een hoog CO2-gehalte (waarin dus veel kalk oplost) op een zeker moment weer in kontakt komt met de lucht, bijvoorbeeld in een grot, dan zal er CO2 ontwijken. Tenminste, als er ventilatie is waardoor CO2 wordt uitgewisseld met de buitenlucht.

Als gevolg van het verdwijnen van C02 kristalliseert kalk uit (evenwicht verschuift naar links in de reactievergelijking van de oplossing van kalksteen), soms als weinig opvallende lagen op de bodem van een grot, maar ook wel als spectaculaire "druipsteen"; stalagmieten, stalaktieten, macaroni's, excentriques, enzovoorts. Zuiver kalk is wit of kleurloos, maar door bijmenging van andere stoffen kan het allerlei kleuren krijgen. IJzerzouten kleuren sinter bijvoorbeeld van crŤme via roestbruin tot zwart. Uiteraard is kalk in de meeste karstgrotten het meest voorkomende mineraal, de grote uitzondering vormt gips (calciumsulfaat). Maar er komen ook veel andere mineralen voor in grotten, in de meest uiteenlopende kleuren.



Uit de waterdruppel die in kontakt komt met de lucht in de grot zal CO2 ontwijken (links) waardoor er aan de rand van de druppel kalk uitkristalliseert. Er ontstaat (in dit voorbeeld) een dun buisje, een 'macaroni'. Als het centrale kanaaltje verstopt raakt, maar de watertoevoer gaat door (de twee rechter figuren) dan "groeit" de stalactiet in lengte en diameter. Op de bodem onstaat eerst een klein poeltje; door uitkristalliseren van kalk groeit er langzaam een stalagmiet.



Bodemvorming

De bodem is het bovenste losse deel van de aardkorst tot op en diepte die belangrijk is voor de planten (enkele cm tot m).

Door fysische verwering wordt gesteente gruis

De bovenste laag van het gruis bevat na een tijd:
- dode organische stof
- mineralen chemische verwering
- levende organismen
Door het insijpelen van het water, ontstaat er een lagenstructuur via :
- uitloging of uitspoeling
- aanrijking of inspoeling
Op een bepaalde diepte bevindt zich het onaangetast gesteente (geen verwering), men noemt dit het moedergesteente.

De bodems zijn gekenmerkt door hun profielopbouw = opvolging van de horizonten.
De horizonten kunnen verschillen in dikte, kleur en samenstelling.
Het bodemprofiel is vooral gebonden aan het klimaat.


De verschillende horizonten worden benoemd met een hoofdletter :
- humuslaag = O
- uitlogingslaag = A
- aanrijkingslaag = B
- moedermateriaal = C


De factoren die de bodem vormen zijn :
- fysische en chemische eigenschappen van het moedergesteente
- hellingen (reliŽf) = steeds afspoelen van de bovenste laag
aan de voet bevinden zich de afzettingen = colluvium
- klimaat (temperatuur, neerslag, verdamping)
- organismen (planten, dieren, schimmels, Ö) + wisselwerking
- tijd = traaglopend proces
- mens

De bodem is als volgt samengesteld :

∑ 50 % vaste bestanddelen :
- mineraal (45 %) : klei, leem, silt, zand (= bodemtextuur)(afhankelijk van de korrelgrootte)
- organisch (5 %) : humus
∑ 50% poriŽn
- water (25%)
- lucht (25%)


[ terug... ]Omhoog


.



.

Fale hafez


Tabire khab



Copyright 2002-2017